Architectuur

Het voormalige sanatorium Zonnestraal, in 1926 ontworpen door Jan Duiker i.s.m. Bernard Bijvoet en Jan Gerko Wiebenga, wordt internationaal beschouwd als één van de topstukken van de architectuur van de 20e eeuw, een pionierswerk uit de periode van het 'Nieuwe Bouwen'. Daarom bestaat ook bij de Nederlandse overheid het voornemen het complex aan UNESCO voor te dragen voor opname in de Wereld-erfgoedlijst.  
Het sanatorium ensemble
Het ensemble wordt gekenmerkt door een gelede opbouw, grote transparantie en optimalisering van materiaal- en constructie-eigenschappen. Het kent een assenstelsel waarvan de eerste as bestaat uit de verbinding tussen de ingang van het Hoofdgebouw en de wereld buiten Zonnestraal. Via deze as kwam en ging de patiënt en de bezoeker. Deze as geeft reden aan de twee open onderdoorgangen van het hoofdgebouw. Loodrecht hierop ligt de tweede as die de binnenwereld van het sanatorium vastlegt. Op deze as liggen de trappen van het Hoofdgebouw en hierop komen de centrale assen van de twee paviljoens (Dresselhuyspaviljoen en Ter Meulenpaviljoen) samen bij het Hoofdgebouw.  
Schip op hei
Het ensemble met zijn horizontale opbouw contrasteert als abstract object met de verticale en organische karakteristiek van de omringende natuur. Naar de paviljoens toe was het oorspronkelijke terrein een open heidegebied, waardoor men sprak van het 'Schip op de hei'. Alhoewel natuur en gebouwen sterk contrasteren, zijn de gebouwen door hun overstekken, open gevels en tuinmuurtjes sterk op de natuur gericht. Van de vijf geprojecteerde werkplaatsen, die gecentreerd zijn rond een 'mottoren', zijn er door Duiker twee gerealiseerd in 1928. Tussen 1934 en 1940 zijn er naar het ontwerp van Duiker twee loodsen aan toegevoegd.  
Uitgangspunten
Voor alles was Duiker bezig gestalte te geven aan wat hij noemde de geestelijk economie. Hieronder verstond hij dat men zo doelmatig mogelijk moest omgaan met materiaal- en constructie-eigenschappen, met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, met arbeid, met functionele gegevenheden e.d. Elke ruimte en combinaties van ruimten gaf hij vorm overeenkomstig de functionele eisen die er aan gesteld werden. In zijn vormgeving streefde Duiker naar immaterialisering en kwam hij tot een universele esthetiek. Deze uitgangspunten van Duiker leiden tot de situatie dat wanneer de functionele eisen van een ruimte veranderen, de materialisatie niet meer voldoet. Dit betekent dat er dan sprake is van een wegwerpgebouw. Als gevolg van sociaal-historische en cultuurhistorische redenen is Zonnestraal tot Rijksmonument verklaard en is en zal verder worden gerestaureerd. Hierdoor ontstaat de paradoxale opgave om wegwerpgebouwen te bewaren voor de eeuwigheid.

 

Landschap 3